#TFT
Huiswevers 16e eeuw Al in de 16e eeuw weven de boeren in Twente linnen. In Twente is een grote boerengemeenschap. De schrale zandgrond levert te weinig op om rond te komen en het ‘huisweven’ wordt een noodzakelijke aanvulling op het inkomen. De grondstof voor linnen is vlas; een van de oudste gewassen ter wereld. Het produceren van linnen is eenvoudiger dan van wollen stoffen. Het hele gezin is betrokken: kinderen haspelen en spoelen, de vrouwen spinnen en de mannen bedienen het weefgetouw. Ze produceren voor eigen gebruik en verkopen aan rondreizende marskramers. Bijna iedere boerderij heeft in die tijd een aparte weefkamer waar een groot weefgetouw staat. Fabrikeurs 18e eeuw In de 18e eeuw vestigen marskramers zich als ‘fabrikeur’ in Twente. Ze kopen niet langer weefsels op bij de boeren., maar leveren zelf het garen voor de weefsels. Regen een vergoeding worden er stoffen geweven, waarna de fabrikeur ze weer ophaalt om te verkopen. Ook geven ze weefgetouwen in bruikleen, zodat de kwaliteit van de stoffen verbetert. In de loop van de 18e eeuw wordt linnen langzaamaan vervangen door een nieuwe stof; katoen. Stoffen van katoen zijn lichter en goedkoper. Houten weefmachines Rond 1780 werkt bijna 40% van de Twentse beroepsbevolking in de textielnijverheid. Houten weefmachines vervangen steeds vaker het handwerk en zo ontstaat een omvangrijke weefindustrie. Als de weefmachines - eerst nog door paarden aangedreven - niet langer in de weefkamers passen, ontstaat de eerste fabrieksarbeid. Schietspoel 1830 Door de afscheiding van België in 1830 komt de textielindustrie in Twente pas goed op gang. De lonen zijn hier laag, de Twenten hebben ervaring met textiel en er is voldoende water aanwezig nodig voor het productieproces. De oude ‘smietspoel’ wordt vervangen door de snellere ‘schietspoel’ en de productie groeit enorm. Zo bereidt de Twentse textielindustrie zich voor op de overgang naar stoom in de tweede helft van de 19e eeuw. Stoomaandrijving 1850 Hete stoom die onder druk staat wordt via een stoommachine omgezet in arbeid. Dat gebeurt door de stoom in een of meer ‘zuigers’ te laten uitzetten (expanderen). De stoommachine kan via een systeem van riemen (zie opstelling) andere machines aandrijven, zoals schaaf- en draaibanken, boormachines of smeedhamers. Voorheen gebeurde dat via handkracht, trekdieren of water- en windmolens. De uitvinding van de stoommachine zet de industriële revolutie in gang (in Nederland rond 1880, ruim 100 jaar na Engeland). Arbeiders zijn bang dat ze door deze revolutie zonder werk komen te zitten. In Twente wordt de traditionele textielnijverheid na 1850 de belangrijkste industrie. Op het hoogtepunt draaien er zo’n 160 fabrieken op volle toeren. De familie Stork is een drijvende kracht met de oprichting van een weverij in 1854 en een machinefabriek in 1868. Fabrieken 1870 Na 1870 maakt de Twentse textielindustrie een enorme ontwikkeling door. De wevers trekken massaal naar de fabrieken van o.a. Blijdestein, Van Heek, Ten Cate en Stork. Mannen en vrouwen werken er aan spinmachines, aangedreven door stoommachines. Aan het begin van de 20ste eeuw worden stoommachines steeds vaker vervangen door stoomturbines, verbrandingsmotoren en later de elektromotor. Deze zijn efficiënter, goedkoper, minder vervuilend en vaak ook lichter. Twentse landschap verandert De komst van het spoorwegennet, zorgt ervoor dat het gebied rond Almelo, Hengelo en Enschede een belangrijke economische regio wordt en dat de textielindustrie zich hier verder kan ontwikkelen. Naast fabriekshallen en spoorwegen verrijzen in het Twentse landschap ook grote landgoederen. Hier laten textielbaronnen zoals Van Heek, Ten Cate en Blijdenstein, grote landhuizen bouwen en landschapsparken aanleggen. Grote werkloosheid 1960 De twee wereldoorlogen doen de textielindustrie geen goed. De export van textiel naar Nederlands-Indië valt weg tijdens WOI en WO II zorgt voor veel schade aan fabrieken. Rond 1960 stortte de textielindustrie vrijwel volledig in. De productie van textiel verschuift steeds meer naar landen waar de lonen lager zijn, zoals in Afrika en Azië. De sluiting van fabrieken leidt tot grote werkloosheid. Waren er in de Twentse textielindustrie rond 1950 nog zo’n 44.000 werknemers actief, 35 jaar later nog maar 6.000. Circulaire textielinnovatie Inmiddels is textiel is weer vol in opkomst. Niet zoals vroeger, maar nu gedreven door wetenschappelijk onderzoek en innovaties die het mogelijk maken hoogwaardige en volledig circulaire vezels te produceren. Twente is nationaal en internationaal koploper in deze ontwikkelingen; op Europese textielplatforms wordt gekeken naar Twente! Alle lof voor initiatieven zoals het Circulair Textiel Lab (een initiatief van TexPlus) en SaXcell, een spin-off van hogeschool Saxion dat o.a. oude katoenvezels via een duurzaam recycleproces omzet in nieuwe cellulosevezels.